Het kinderwensmagazine is een initiatief van Kinderwens Vlaanderen en wil zoveel mogelijk wensouders bijstaan in deze kwetsbare periode van hun leven. Experts en wensouders informeren u en schrijven eerlijke verhalen over bepaalde thema’s rondom de thematiek kinderwens.

Ouderschap is niet (alleen) genetisch

Anders en toch gewoon_cover

Waarom ben je precies bij dit onderzoeksveld uitgekomen?
Ik heb eerst 10 jaar als klinisch psychologe gewerkt met kinderen in ziekenhuizen (algemene pediatrie, kinderoncologie). De kinderwens en de betekenis van kinderen kwam dan natuurlijk geregeld aan bod. In de studie psychologie leerden we veel over kinderen, over volwassen worden, over oud worden, maar vrij weinig over de betekenis van ouderschap in een mensenleven. Tijdens mijn klinische periode studeerde ik familiale en seksuologische wetenschappen bij, en dat was voor mij een vorm van ‘teruggaan naar de start’, naar het begin van een gezin. Tijdens mijn stage volgde ik gesprekken mee in de fertiliteitskliniek, en hoorde ik ervaringen van wensouders en van donoren. Die ervaringen en de vragen (ethische, sociaal-psychologische…) maakten indruk. Ik was inmiddels zelf ook al op een leeftijd dat vrienden en mensen rondom mij bezig waren met hun gezin te vormen en/of jonge kinderen hadden en dat ik daar meer bij stilstond. Van tevoren kende ik geen ouders na donorconceptie, nu vertellen mensen geregeld hun verhaal als ik vertel wat ik doe.

Was het moeilijk om voor je onderzoek donorouders en -kinderen te vinden? Hoe heb je dat aangepakt?
Dat was heel moeilijk. Het is een heel gevoelig, persoonlijk en intiem thema waar men niet gemakkelijk over praat. Mensen voelen zich dan heel kwetsbaar. Voor sommigen was dat ook de reden om niet mee te doen, omdat het nog te gevoelig was. De staf van de fertiliteitsklinieken informeerden wensouders over mijn geplande onderzoek. En in kranten, tijdschriften en op websites plaatste ik zoekertjes. Aan de ouders die ik langer opvolgde, stelde ik eerst een kennismakingsgesprek voor, vooraleer ze beslisten om mee te doen. Zo kon ik aan beide partners tegelijk het onderzoek uitleggen en konden beiden mij leren kennen, en kijken of het zou lukken. Veel (wens)ouders gaven aan dat het positief was geweest om te kunnen praten met iemand van wie zij het gevoel hadden dat deze persoon kennis had over het onderwerp. Het feit dat ik geen pas afgestudeerde psychologe/seksuologe meer was, vond men ook fijn.

In de inleiding van je boek stip je aan dat er in onze samenleving sterk biologisch en genetisch wordt gedacht over vruchtbaarheid. Hoe zit dat precies?
Kinderen krijgen wordt vaak ervaren en voorgesteld als een vanzelfsprekendheid. Het hoort er gewoon bij op een bepaalde leeftijd. Het wordt nauwelijks in vraag gesteld. Mensen staan met hun mond vol tanden als je hen zou vragen: Waarom krijg je eigenlijk kinderen? Ze volgen gewoon hun levensloop, hun levensritme. Wie geconfronteerd wordt met vruchtbaarheidsproblemen, heeft het gevoel letterlijk ‘uit de maat’ te lopen. Deze mensen kunnen niet mee met het gewone ritme van de mensen om hen heen, of zo ervaren ze het toch. Heel het denken rond vruchtbaarheidsbehandeling vertrekt ook vanuit datzelfde principe. Alle mogelijke – soms dure en energierovende – behandelingen worden uitgevoerd om mensen toch maar aan een genetisch eigen kind te helpen. Als een koppel dan te horen krijgt, dat het voor hen niet zal lukken met eigen genetisch materiaal, is dat een echte tegenslag.

Het voelt bovendien vreemd om voor zoiets beroep te moeten doen op een derde… Doordat donorconceptie het mogelijk maakt de zwangerschap en bevalling te beleven, is het vruchtbaarheidsprobleem ook niet zichtbaar voor buitenstaanders.(Dit kunnen sommigen als positief ervaren, maar voor anderen heeft het ook nadelen: je leed, verdriet, angsten en onzekerheid zijn ook niet duidelijk voor anderen en is het ook moeilijker om steun te krijgen voor je uitdaging. In de fertiliteitsklinieken beschouwde men donorinseminatie als iets wat het ‘probleem’ oploste. Met de vragen, twijfels en bezorgdheid van donorouders achteraf was men niet bezig. Over donorconceptie werd ook niet openlijk gesproken. Dat werd aanvankelijk echt afgeraden, al is dat nu in veel gevallen anders.

Bij donorconceptie is één ouder (of beide in geval van embryodonatie) niet biologisch verwant met het kind. Cultureel-historisch is een biologische/genetische band tussen ouder en kind steeds als norm gesteld. Biologisch ouderschap werd/wordt vaak nog gezien ‘echt’ ouderschap, dan ben je de echte papa of mama. In deze visie is de gezamenlijke kinderwens, de kinderwens die voortkomt uit de intimiteit van de partnerrelatie, en die de start van de gezinsvorming is, naar de achtergrond verschoven. Terwijl ze eigenlijk het begin vormt.

Die wens is ook naar een specifiek kind, een genetisch eigen kind. Een fertiliteitskliniek focust zich daar ook op en probeert die specifieke kinderwens, een genetisch eigen kind, waar te maken. Hierdoor komt het ‘waarom willen wij kinderen, wat verwachten we van ouder worden?’ soms wat op de achtergrond. De insteek is medisch-biologisch. Bij adoptie ligt dat anders, omdat het in de hele selectieprocedure al veel meer gaat over het gezin, de sociale banden… In een adoptieprocedure staat heel duidelijk het belang van het kind voorop, en je krijgt dan als wensouders te maken met sociaal werkers, psychologen… Terwijl bij donorconceptie alles een bijna uitsluitend medisch verhaal blijft. Het gebeurt in een kliniek, met dokters. Er is soms wel een gesprek met een psycholoog, maar dat wordt vaak aangevoeld als een soort evaluatie, dus is het voor vele wensouders heel moeilijk om vrijuit te spreken, en je gewone twijfels, angsten, vragen en onzekerheden aan bod te laten komen.

Wat was een vaak terugkerend gevoelen / probleem / vraag van donorouders?
Donorouders hebben vaak het gevoel dat ze alleen zijn in die situatie (zijn wij de enigen?) en ze zijn ook vaak onzeker en weten niet waar ze daarmee terecht kunnen. Ze stellen zich vragen als: Ga ik het kind wel graag zien, gaat het kind mij wel graag zien? Wat als hij/zij in de puberteit niet naar mij gaat luisteren? Wat denken anderen hierover? Wat gaan anderen van ons denken? Ze hadden het gevoel dat ze met die vragen nergens terecht konden. Een biologische band komt als ‘onbreekbaar’ over en een sociale band lijkt veel kwetsbaarder en breekbaarder. En donorouders vonden nergens informatie: hoe stellen donorgezinnen het later? Welke vragen hebben kinderen later? Hoe vertel ik het? Ze hadden het gevoel dat ze het allemaal zelf moesten uitvinden.

Wat was een vaak terugkerend gevoelen / probleem / vraag van donorkinderen?
Mijn PhD onderzoek focuste op de beleving van de ouders en nog niet van de kinderen na donorceptie. Die neem ik mee in mijn huidig onderzoek. Nog sterker dan bij donorouders is het moeilijk om alle donorkinderen over dezelfde kam te scheren. Er is een soort ‘generatiekloof’ tussen donorkinderen die opgegroeid zijn in een periode dat ouders nog werd aangeraden om niet te spreken over de donorconceptie en latere donorkinderen. De eerste groep kreeg vaak pas veel later (na de tienerjaren) te horen over hun donorconceptie. Die geheimhouding en de manier waarop de jongeren er uiteindelijk achter komen, zijn vaak pijnlijk. Ook achteraf blijft het in het gezin vaak een moeilijk bespreekbaar onderwerp. Voor de kinderen die nu opgroeien en waar open en leeftijdsaangepast gesproken wordt over donorconceptie, is dat toch anders. Niet alle problemen zijn daarmee van de baan, maar ze kunnen hun zelfbeeld toch van jongs af aan beter samenstellen. Onderzoek waarin jongeren zelf aan het woord zijn is nog heel erg beperkt. Voor sommigen is de vraag rond donoranonimiteit en meer informatie over de donor erg belangrijk. Anderen zijn meer op zoek naar wat genetische banden en verwantschap betekenen t.a.v. de familie die ze al hebben.

Kun je nog even uitleggen waarom je het belangrijk vindt als wetenschapper om je onderzoek ook te vertalen naar het brede publiek?
Mensen doen mee aan onderzoek, delen hun ervaringen en belevingen, maken daar tijd voor en stellen zich daarvoor open. Het gaat over hun belevingen, dus vind ik het vanzelfsprekend dat daar iets van terugkomt. Ik vind het als onderzoeker evident dat kennis (terug) gedeeld wordt en niet binnen een bepaalde context blijft.

Het is ook vanuit mijn ervaring als klinisch psycholoog dat ik het belangrijk vind dat onderzoek ook omgezet wordt in een concrete toepassing. In de gesprekken met de donorouders kwamen thema’s als isolement, taboe, schaamte, gebrek aan informatie herhaaldelijk aan bod. Dus was een boek dat dit besprak en breder ‘opentrok’ naar de maatschappij voor mij evident. Zo hoop ik het isolement en het taboe te doorbreken, en zowel professionelen, als de dagdagelijkse omgeving van donorgezinnen en de hele maatschappij zicht te laten krijgen op de uitdagingen waar families na donorconceptie voor staan. Zo kan er begrip en steun ontstaan, bijvoorbeeld bij artsen en vroedvrouwen, bij alle medewerkers van afdelingen pediatrie, bij huisartsen, maar ook bij leerkrachten. Ouders zijn blij met dit boek, omdat ze het bijvoorbeeld kunnen doorgeven aan mensen uit hun omgeving. Ze vinden er ook herkenning in. Als we als maatschappij donorconceptie ‘aanbieden’ als familievorm, lijkt het mij aangewezen dat we er als maatschappij ook naar durven kijken in zijn complexiteit.

Geniet van € 5 korting bij aankoop van Anders en toch gewoon van Astrid Indekeu via LannooShop.

Surf naar Lannoo Campus
Voeg het boek toe aan jouw winkelmandje
Geef anders in bij ‘kortingscode’ en klik op ‘+’
Daarna hoef je enkel nog je bestelling af te ronden.