Het kinderwensmagazine is een initiatief van Kinderwens Vlaanderen en wil zoveel mogelijk wensouders bijstaan in deze kwetsbare periode van hun leven. Experts en wensouders informeren u en schrijven eerlijke verhalen over bepaalde thema’s rondom de thematiek kinderwens.

Interview met Leen Bastiaansen van Donorkind vzw

donorkind vzw logo

Donorkind vzw is een vereniging die de belangen behartigt van kinderen die verwekt zijn door middel van sperma-, eicel- of embryodonatie. Een gesprek met Leen Bastiaansen, een van de trekkers van deze vzw.

Wat zijn typische vragen en gevoelens waarmee donorkinderen vaak zitten?
Leen Bastiaansen: Dat verschilt natuurlijk van persoon tot persoon, maar er zijn een aantal gevoelens die regelmatig terugkomen. Zo kampen volwassen donorkinderen vaak met de onbespreekbaarheid van het gegeven binnen hun gezin. Meestal werd er hen niets verteld over de donorconceptie, maar kwam het vroeg of laat toch boven water. Soms gepland, soms per ongeluk. Ook als het wel aan de kinderen werd verteld, was het vaak iets waarover later niet meer mocht gesproken worden. Daarmee worstelen heel wat volwassen donorkinderen. Zelf ervaren ze het als iets groots, iets belangrijks in hun leven en dan is het erg dat ze er juist in hun eigen gezin niet mee terecht kunnen. Ze voelen vaak ook aan dat hun ouders er liever niet over willen praten.

Als donorkinderen het pas laat te weten komen, als ze zelf al volwassen zijn bijvoorbeeld, leidt zo’n mededeling regelmatig tot een vertrouwensbreuk. Ook al stellen veel donorkinderen zich uitermate loyaal op naar hun ouders en begrijpen ze dat het gebeurde binnen een hele maatschappelijke context van geheimhouding hierover, toch blijft er iets knagen. Veel donorkinderen ervaren het als een soort langdurige leugen en sommigen geven aan het gevoel te hebben dat er daardoor iets geknapt is tussen hen en hun ouders.

Als het op die manier loopt, komen donorkinderen vaak in een identiteitscrisis terecht. Ze moeten het beeld dat ze van zichzelf en hun gezin hadden bijstellen, en dat gaat vaak gepaard met moeilijke emoties. Ook als ze wel altijd geweten hebben van de donorconceptie, stellen veel donorkinderen zich vragen als Wie ben ik? Waar kom ik vandaan? Dat gegeven verbindt de meeste donorkinderen: dat ze een stuk informatie missen over wie ze zijn. Dat leidt tot een gevoel van ontworteldheid. Daarom gaan mensen ook op zoek naar hun biologische ouder, om zo gelijkenissen en verschillen te achterhalen.

Er leeft ook veel boosheid bij donorkinderen over wat zij ervaren als het onrecht dat hen is aangedaan. Anderen hebben doelbewust een stuk van hun afkomst achtergehouden. Gegevens over hun donor zijn bewust ontoegankelijk gemaakt of zelfs vernietigd. Ze krijgen daar hoe dan ook geen toegang toe, omdat er een contract tot geheimhouding werd gesloten tussen de kliniek, de donor en de ouders. Enkel voor strikt medische informatie wordt wel eens een uitzondering gemaakt.

Er komen ook geregeld loyaliteitsconflicten voor bij donorkinderen. Is het oké om op zoek te gaan naar mijn donor? Kwets ik daarmee mijn ouders niet? Mag ik binnen het gezin mijn negatieve gevoelens rond donorconceptie uiten of ligt dat te gevoelig? Het is vaak heel moeilijk om die thema’s binnen het gezin te bespreken.

Is het beter om kinderen vanaf het begin te laten opgroeien met het besef dat ze donorkinderen zijn?
Leen Bastiaansen: Daarover was er tot voor kort veel discussie. Sommige wetenschappelijke onderzoeken beweerden dat kinderen die geen weet hadden van hun donorconceptie geen speciale problemen vertoonden. Maar stilaan groeit de consensus dat openheid te verkiezen is boven het jarenlang geheimhouden van zo’n belangrijk feit. Het is niet in het voordeel van een gezin als er zo’n zwaar geheim ‘hangt’. Het gebeurt trouwens vaak dat het kind het toch te weten komt: via de biologieles (bv. andere bloedgroep dan de ouders) of omdat iemand die op de hoogte was, zich verspreekt. Dat is altijd heel nadelig; de kans is dan veel groter dat er een vertrouwensbreuk en een ernstige identiteitscrisis komt. Als je zoiets te weten komt op latere leeftijd, haalt dat je helemaal onderuit. Het gaat om zoiets ingrijpends dat je hele wereld op zijn kop komt te staan. Terwijl als je met dat besef opgroeit, kun je dat van jongs af beter inpassen in wie je bent. Dat neemt zeker niet alle vragen weg, maar de schok wordt je wel bespaard.

Er zijn op dat vlak wel verschillen tussen vroeger en nu. Vroeger werd geheimhouding door alle klinieken waar je voor donorconceptie terecht kon, geadviseerd aan de wensouders. Geleidelijk aan is dat veranderd. In heel wat klinieken wordt aan ouders nu aangeraden om er open mee om te gaan, al wordt dit advies nog steeds niet overal expliciet gegeven. En uiteindelijk blijft het de keuze van de ouders. Vaak zit er een primitieve angst achter het geheimhouden. Ouders zijn bang dat ze door hun kind niet als ‘echte’ ouder zullen ervaren worden als de feiten bekend zijn, maar zo werkt het helemaal niet. Als kind ervaar je de mensen bij wie je opgroeit als je ouders. Misschien flap je er als puber tijdens een hoogoplopende ruzie wel eens iets uit als ‘Jij bent niet mijn papa!’, maar dat verandert niets aan de relatie die er is. Alle pubers proberen hun ouders wel eens te treffen, en dan is dit een ‘wapen’ van donorkinderen. Maar daartegen kunnen ouders zich ook wapenen, door het correct te leren plaatsen.

Waarom is het opheffen van de anonimiteit van het donorschap voor jullie vereniging zo belangrijk?
Leen Bastiaansen: Dat is voor ons inderdaad het belangrijkste werkpunt, al beseffen we heel goed dat daarmee zeker ook niet alles opgelost is. Maar alle donorkinderen binnen onze vereniging stellen zich vragen over dat onbekende pakket in hun genen. Het is een deel van hun identiteit. Weten dat die gegevens ergens liggen, maar dat je er geen toegang toe krijgt, is heel frustrerend. Ze voelen het ook als een onrecht aan. In landen als Nederland, Zweden, Groot-Brittannië … is de wetgeving nu zo dat je niet meer anoniem kunt doneren. Bij ons ligt er ook een dergelijk wetsvoorstel klaar, maar daar is veel discussie rond en het blijft maar aanslepen. Het is ook perfect mogelijk om een DNA-databank op te richten voor donoren en donorkinderen van vroeger die zich willen laten registreren, zoals dat nu in Nederland gebeurt. Op die manier kunnen donorkinderen toch hun bloedverwanten vinden en meer duidelijkheid krijgen over hun afkomst.

Maar natuurlijk zijn niet alle problemen opgelost als je weet wie je donor is. Het blijft een grote uitdaging om met het gegeven om te gaan. Als een donorkind eenmaal zijn donor gevonden heeft, wat in het buitenland steeds vaker gebeurt, gaat men op zoek naar gelijkenissen allerhande en die vindt men meestal ook. Die herkenning is iets waarnaar veel donorkinderen hunkeren. Misschien willen ze hun donor zien of met hem praten. Het is een fijn gevoel om antwoorden te krijgen op vragen waar je soms al jaren mee zat. Maar dan komt er een nieuwe uitdaging opduiken: wat doe je nu verder met die persoon? Hij is niet je vader, want die heb je meestal al, maar wat is hij dan wel? Geef je hem een plaats in je leven en zo ja, welke? Het blijft zoeken en ook in je omgeving kun je met die vragen niet altijd terecht. Mensen begrijpen de complexiteit van de situatie vaak niet. Ze benoemen de donor bijvoorbeeld soms als ‘de echte papa’, maar dat is hij in de beleving van donorkinderen zeker niet. Het is een heel proces om dat allemaal een plaats te geven in je leven, en dit verloopt ook voor iedereen anders.

Is er een verschil tussen spermadonatie en eiceldonatie?
Leen Bastiaansen: Spermadonoren zijn meestal anoniem, terwijl bij eiceldonatie vaker beroep wordt gedaan op een gekende donor, bv. een zus of vriendin. Er hangt ook een heel verschillende sfeer rond. Spermadonatie is veel vroeger ontstaan, in een taboesfeer, met toch ook een seksuele connotatie want je moet er tenslotte voor masturberen. Dat maakt dat daar wel eens flauwe moppen rond worden gemaakt. Eiceldonatie is pas mogelijk sinds de techniek van in vitro fertilisatie in de jaren ’80 opkwam. Het zit veel meer in de medische sfeer. Het is natuurlijk ook een veel ingrijpendere procedure waarvoor je moeilijker vrijwilligers vindt. Vandaar dat men hierbij vaker beroep doet op iemand uit de familie- of vriendenkring. Eiceldonoren zijn ook vaker openlijk trots dat ze donor zijn.

Heb je een andere band met een ouder, broer of zus die niet je biologische familie is?
Leen Bastiaansen: Als kinderen opgroeien met het besef dat ze donorkinderen zijn, is er meestal geen probleem. Als je het pas laat te weten komt, kan er soms wel een vertrouwensbreuk zijn. Sommige donorkinderen kunnen dat plaatsen, voor anderen is er definitief iets gebroken. Maar in het algemeen geldt dat sociale ouders niet minder competent zijn dan biologische ouders. Het maakt iemand zeker niet tot een minder goede ouder. De genetische connectie blijft wel van belang en daarom gaan donorkinderen er ook naar op zoek, maar dat heeft weinig te maken met hoe ze hun ouders ervaren.
Bij broers en zussen lijkt het nog minder te spelen. De gezinsleden met wie je opgroeit, dat zijn gewoon je broers en zussen. En het feit dat je samen zoiets ingewikkelds als donorconceptie deelt, kan zelfs de onderlinge band versterken.

Wat ervaren jullie als vervelende opmerkingen vanwege mensen uit je omgeving?
Leen Bastiaansen: Sommige donorkinderen vertellen hoe vervelend het kan zijn als mensen commentaar geven op uiterlijke verschillen, in de stijl van ‘jij lijkt helemaal niet op je zus’. Dat zijn confronterende opmerkingen, waarbij je niet altijd zin hebt om erop te reageren of uitleg te geven. Vaak werden zulke opmerkingen ook al gegeven wanneer men zelf nog niet op de hoogte was van de donorconceptie. Naar aanleiding van zulke opmerkingen kunnen er dan twijfels en onzekerheden ontstaan, die je niet kan plaatsen. Ook binnen een gezin kan dat spanningen geven. Veel donorkinderen voelden al vroeg aan dat er iets niet klopte in hun gezin, ook al wisten ze toen nog niet wat er aan de hand was. Het moet voor de ouders ook erg vermoeiend zijn om telkens opnieuw met die opmerkingen om te gaan. Alleen al daarom is eerlijkheid beter.

Als donorkinderen aangeven hoe moeilijk het soms allemaal voor hen ligt, krijgen ze soms te horen: ben je dan niet dankbaar dat je leeft? Mensen willen vaak niet begrijpen dat het allemaal niet zo eenvoudig is. Het is fijn als mensen begrip opbrengen voor de complexiteit van het leven van donorkinderen.

Hoe staat jullie vereniging tegenover donorconceptie?
Leen Bastiaansen: Het is niet de taak van onze vereniging om zich daarover uit te spreken, maar gezien de complexiteit en uitdagingen die wij als donorkinderen ervaren, zullen wij het zeker niet expliciet aanmoedigen. Als je zelf ondervonden hebt hoe moeilijk het is om zoiets te kunnen plaatsen, hoeveel gevoelens van verdriet en boosheid het kan meebrengen, is het niet iets om luchtig overheen te gaan. Niet alle donorkinderen ervaren dat op dezelfde manier, dus de vereniging spreekt zich niet uit over de methode van donorconceptie zelf. Maar voor heel wat donorkinderen blijft het een moeilijke gedachte dat ze doelbewust geconcipieerd zijn en van hun natuurlijke ouder gescheiden zijn om te voldoen aan het verlangen naar een eigen kind van hun ouders. Er zit ook vanaf het begin een dubbelzinnigheid in waar wij het moeilijk mee hebben: donorconceptie bestaat omdat mensen de genetische band met een van de ouders toch belangrijk vinden, terwijl de genetische band tussen het donorkind en de donor als onbelangrijk wordt afgedaan.

Ergens wil men de schijn van een genetisch verwant gezin ophouden, maar de realiteit is nu eenmaal dat een donorkind een genetische connectie mist met minstens een van zijn ouders èn een genetische connectie heeft met iemand die hij niet mag kennen. Ook al hebben ouders verder de beste bedoelingen, toch blijft het een complexe situatie. We willen wensouders vooral aanzetten om zich hier goed over te bezinnen vooraleer ze voor donorconceptie kiezen. Wij willen wensouders ook aanmoedigen om zeker goed na te denken over alternatieven. Je kunt bijvoorbeeld ook een zinvol leven leiden zonder kinderen, ook al weten we dat dit voor mensen met een onvervulde kinderwens wellicht geen helpende boodschap is. Daarnaast kan je ook pleegouder of adoptieouder worden. Als wensouders toch voor donorconceptie kiezen, is het goed als ze echt durven nadenken over hun motieven en over alle implicaties van hun keuze. Ze kunnen zich best ook informeren over hoe volwassen donorkinderen ermee omgaan. Wensouders zijn dus ook welkom op de website van onze vereniging: www.donorkind.be.