Het kinderwensmagazine is een initiatief van Kinderwens Vlaanderen en wil zoveel mogelijk wensouders bijstaan in deze kwetsbare periode van hun leven. Experts en wensouders informeren u en schrijven eerlijke verhalen over bepaalde thema’s rondom de thematiek kinderwens.

De lange weg naar een kind dat misschien komt

baby M.F.L.

Voorjaar 2015

Toen Rebecca in 2009 Eric leerde kennen, kon ze al geen kinderen meer krijgen: ze moest na een zware ziekte zonder baarmoeder voort. Hun hoop was lang een draagmoeder, maar het bleef bij jaren van proberen: in-vitrobehandelingen, zelfinseminatie. Het werd een gedachte die ging wennen: wij zullen er nooit hebben. Maar er bleef wel plaats in hart en huis. Dus als zij over pleegzorg begint, denkt hij: waarom niet?
Een infoavond boezemt alvast vertrouwen in. Geen lofzang op het pleegouderschap, wel realisme. Vooral de getuigenis van een pleegouder maakt indruk. Eric: ‘Het viel mij op hoe die man zijn angst durfde uit te spreken. Hij had al tien jaar een pleegdochter, met de ouders was er nauwelijks een band, maar nu kwam de moeder van het meisje vrij en zocht zij contact. En de pleegvader was bang, wat dat met hen zou doen. Het liet me voelen hoe je als pleegouder nooit een kind “hebt”, de ouders blijven in het spel.’

Ze stellen zich kandidaat, diezelfde avond nog. Ontvangen per mail een vragenlijst – de eerste in wat een hele rist zal worden. Sturen die ingevuld terug. En krijgen het bericht dat alles goed is aangekomen, maar dat ze ‘gezien de enorme toestroom van kandidaat-pleeggezinnen’ op de wachtlijst staan. Rebecca: ‘Dat was een enorme teleurstelling. Wij waren klaar om het traject te beginnen, dat sowieso al maanden duurt – overal hoor je hoe groot de nood aan pleegouders is. En wij zouden ten vroegste in het najaar van start kunnen gaan: 34 wachtende gezinnen vóór ons. Dat is geen verwijt aan Pleegzorg, zij doen wat ze kunnen, maar hoe rijm je dat? Veel vraag, best veel aanbod, maar: geen personeel. En dus kinderen in de kou.’

Niels Heselmans, woordvoerder van Pleegzorg, vindt dat net zo jammer. ‘De afgelopen jaren hebben we beter gecommuniceerd en campagne gevoerd om nieuwe kandidaat-gezinnen aan te spreken, maar we zijn daar niet meteen voor beloond. Ons budget wordt berekend op het aantal dossiers van het jaar voordien: wij groeien, nog steeds, maar het geld groeit pas later mee. Bovendien gaat veel tijd naar de screening van kandidaten die nooit pleegouders zullen worden. En al wat naar screening gaat, kan niet naar begeleiding van gezinnen die al bezig zijn.’

Najaar 2015

Een mailtje van Rebecca: ze kunnen beginnen, dan toch. Op 6 oktober komen twee screeningsmedewerkers langs om de eerste vragenlijst te bespreken, te zien waar ze wonen, welk gezin ze zijn. Pleegzorg heeft er liever nog geen buitenstaanders bij, maar het was een goed gesprek, vertelt het koppel achteraf.

‘Lieven en An heten onze trajectbegeleiders, en ze hebben elk hun rol: hij leidt de gesprekken, zij tikt die ter plaatse uit. Op het einde, ze stonden al op, vroeg ik of ze de toekomstige kinderkamer niet meer wilden zien. “Ach, natuurlijk”, zei An – ze waren het haast vergeten. Het was ook meteen oké: Pleegzorg vraagt alleen dat er een venster is en het kind niet bij de ouders hoeft te slapen – bij broers en zussen mag wel.’

Als huiswerk krijgen ze een tweede vragenlijst, véél uitgebreider nu. Het is de bedoeling dat voor elk van hen een genogram wordt gemaakt: een overzicht van hun familiebanden, over generaties heen, en van hun levensloop en wat dat vroeger over nu en later zegt.
Drie weken later, tweede gesprek. Bij Pleegzorg zelf ditmaal, in wat wel een examenzaaltje lijkt. An en Lieven aan één kant, Eric en Rebecca aan de andere. Niet bepaald een setting om diep in jezelf te laten kijken. En toch wordt net dat vandaag van het koppel verwacht.

‘Zullen we met Rebecca beginnen?’, stelt Lieven voor. Kan ze haar stamboom even tekenen, vertrekkend van zichzelf, in almaar groter wordende cirkels: ouders, broers, zussen, grootouders, tantes, nonkels. ‘De bedoeling is een beeld te krijgen van wie jullie zijn. Hoe je naar jezelf kijkt, en hoe wíj jullie zien, want dat zijn soms twee verschillende werkelijkheden.’

Rebecca zet de lijnen uit van wat een almaar groter web wordt. Ze duidt de verhoudingen, schetst de achtergrond. Wat Lieven meteen opvalt: de vele breuken en scheidingen. ‘In je familie, maar ook bij jezelf. En datzelfde patroon zie ik bij Eric in zijn vragenlijst. Het lijkt iets generationeels, iets wat jullie zouden kunnen doorgeven, ook aan een pleegkind dat je straks misschien krijgt. Wij moeten jullie daarop wijzen. Als wij een kindje bij jullie plaatsen, is het niet de bedoeling dat het drie maand later aan de deur wordt gezet. Wij moeten zíén dat mensen voor langdurige relaties kunnen gaan.’

Het koppel knikt. ‘Laten we met de scheiding van je ouders beginnen’, zegt Lieven. ‘Hadden je ouders vóór hun huwelijk al relaties gehad?’ Rebecca haalt de schouders op: ‘Dat weet ik niet, echt niet.’ Het is een vraag zoals er nog zullen volgen. Details lijken het, verdwenen in de plooien van de tijd: houd je aan je jeugd niet veeleer een gevoel dan haarscherpe herinneringen over?

Lieven wil het over de relatie van Rebecca met haar moeder hebben. Een sterke vrouw, zo blijkt, ‘niet van de complimentjes’, geen makkelijk leven ook, ‘bij momenten had ze het best zwaar’. Ook dat wordt een aandachtspunt, geeft Lieven aan. Stel: ze krijgen een pleegkind van wie vader of moeder depressief of verslaafd is. Zal Rebecca een gewone relatie met die ouders kunnen uitbouwen? Vaak brengt een pleegkind onverwerkt verdriet bij zijn pleegouders naar boven. Rebecca: ‘Dat valt wel mee. Ik ben lerares en counselor, ik sta geregeld kinderen bij uit gebroken gezinnen met allerlei problemen. Ik kan dat echt wel van mijn eigen verleden scheiden.’

Dat ze al op vrij jonge leeftijd haar plan moest trekken, heeft haar overigens ook ten goede gevormd. ‘Ik ben zelfstandig, volhardend, een doorzetter. Ik houd van structuur ook, heb een groot verantwoordelijkheidsgevoel.’ Lieven pikt in: dat gaat over ‘hechting’, en die is in pleegzorg cruciaal, smokkelt hij een stukje theorie de sessie binnen. ‘Afstand én nabijheid. Een kind op veilige wijze zelfstandig laten worden. Maar ook troost bieden, lichamelijk contact, ruimte om nog zwak te mogen zijn.’

Het doet vreemd, twee mensen gepokt en gemazeld in het onderwijs, over hechting ‘onderwezen’ te zien worden. Maar net zo goed kan die kennis een valkuil zijn, weet Pleegzorg: wie klaar ziet bij een ander, doet dat niet per se bij zichzelf. Als bij Rebecca vooral zelfstandigheid is gestimuleerd, bij wie kon zij als kind dan voor troost terecht, wil Lieven weten. En zal ze die, stel dat er een kind komt, zélf voldoende kunnen geven? ‘Ik ben leerlingencoach,’ zegt Rebecca, ‘de kinderen van mijn zussen komen vaak logeren: ik denk dat het wel lukt. En Eric vult mij aan: hij is diegene die met de kinderen buiten speelt, ik roep na een tijd dat ze moeten binnenkomen, want dat het donker wordt en koud.’

Nu ze Eric ter sprake brengt: het was de bedoeling, zegt Lieven, en hij kijkt naar de klok, om het ook al over zíjn genogram te hebben. Maar dat lukt niet meer. ‘ We houden binnenkort een extra gesprek.’ Wel wil hij nog even naar Rebecca’s eerdere relaties terug: wat ze eruit heeft geleerd en hoe zich dat vertaalt in haar relatie met Eric nu.

Het is opnieuw graven, in wat jarenlang is toegedekt. Naar boven halen wat ze het liefst alleen met Eric had gedeeld. Hoe haar eerste relatie een vlucht van huis was; een zachte man, die haar beste vriend was moeten worden, niet haar echtgenoot. En hoe ze daarna net het omgekeerde zocht. Ze vond het bij een topmanager, maar ook dat ging fout. En toch bleef ze, tien jaar zelfs, omdat hij een dochter had. ‘Je gaat toch niet bij ons weg, zei zij vaak. Pas toen ik niet meer nodig was, ben ik vertrokken.’
Het is veelzeggend, vindt Lieven, toont haar engagement: ‘Je kunt een pleegkind krijgen en merken, na verloop van tijd, dat het toch niet werkt. Hoe rond je dat zo goed mogelijk af?’

De sessie zit erop. Over enkele weken is het Erics beurt, daarna wordt hun dossier aan een breder team van Pleegzorg voorgelegd. Dat beslist of ze verder kunnen, naar vier vormingssessies.
‘Best lastig’, zegt Rebecca buiten op de stoep, ‘je hele leven blootgelegd en geanalyseerd. Het wordt wel erg persoonlijk. Ik kan zelf geen kinderen krijgen: goed, dat is dikke pech. Maar als het nu niet lukt, dan lijkt het alsof we hebben gefaald. Alsof we niet goed genoeg zijn.’
Waar ze ook mee worstelt: of ze niet te eerlijk zijn geweest. ‘Wat we zeggen, kan ook tegen ons spelen. Moeten we meer de “juiste” antwoorden geven? Ik leg mijn onzekerheden op tafel, maar keert dat zich niet tegen mij?’

Er is geen lijst, zegt Niels Heselmans van Pleegzorg later, waarop wordt afgevinkt: dit is er wel, dit niet. En heb je 51/100, dan ben je geslaagd. ‘Wel zijn er wetenschappelijk onderbouwde criteria voor de screening van kandidaat-gezinnen. We overlopen die met hen bij het begin van het traject: hoe ze zelf zijn opgevoed, bijvoorbeeld, en hoe dat hun aanpak met een pleegkind kan beïnvloeden. Op basis van wat de kandidaat- gezinnen aanreiken, maakt een ervaren team een inschatting. Maar het blijft geen exacte wetenschap. Zeggen we “stop”, dan weten we niet hoe het zou zijn gegaan. Mensen vinden dat moeilijk, en dat is begrijpelijk. Maar we kunnen het niet maken te zeggen: weet je, probeer maar eens, hier is een kindje dat elke week naar een ander kandidaat-gezin gaat, kun je even testen wat het is.’

Het vertrouwen gaat bovendien in twee richtingen, zegt Heselmans. ‘Wij hebben geen leugendetectors, we doen geen buurtonderzoek, we lopen niet bij de politie langs. We gaan ervan uit dat kandidaten eerlijk zijn, en ook zichzelf niets wijsmaken. Want pleegkinderen hebben een rugzak, en voelsprieten: ze gaan vaak tussen koppels in staan, halen naar boven wat diep verborgen zit, duwen mensen tegen hun grenzen – of erover. Dat is wat wij in de selectieprocedure doen: we laten kandidaten hun limieten en valkuilen zien.’

Drie weken later, Erics beurt. Lieven wil ook hem een genogram laten maken, maar Eric blijkt dat al bij aankomst klaar te hebben. ‘Het was een fijne manier om thuis met ons tweeën al een gesprek te hebben’, legt Rebecca uit, maar Lieven is niet enthousiast. ‘Kun je de opdracht hier toch nog eens doen zoals ze is bedoeld, Eric? Als een proces, waarbij we stap voor stap je herkomst in kaart brengen.’

Het was hen de vorige keer al opgevallen, zegt An voorzichtig: hoe Eric en Rebecca, zo lijkt het, over alles al hebben nagedacht. Hoe ze een antwoord hebben nog voor een vraag goed en wel is gesteld. Alsof er vooral ratio is, en minder emotie.
Er ís al heel veel doorgepraat, zegt Rebecca. ‘Wij zijn op woensdagnamiddag met die vragenlijst voor de kachel gaan zitten, en daar uren mee bezig geweest. We horen hier weinig van elkaar dat we nog niet besproken hadden. Wij willen dit goed doen. Maar het komt wel degelijk aan. We zijn geen jankers, maar we hebben vorige keer nog uren nagepraat – over wat dit met ons doet.’

De cijfers liegen er niet om. In 2014 vroegen 3.000 gezinnen een brochure aan, 1.000 gingen naar een infoavond, 300 begonnen de selectie, 170 gezinnen haalden effectief de lijst. Het vraagt veel, pleegouder worden, dat moet bezinken. Vaak komen kandidaten vier of vijf jaar later terug.
Ook het gesprek met Eric duurt lang, en spit diep. Het valt hem op, zegt Lieven, hoe vaak het koppel het over ‘intelligentie’ heeft. ‘Jullie gebruiken vaak de woorden “slim”, “dom”, “zelfontplooiing”, “talent”. Ben je je ervan bewust dat pleegkinderen vaak net kwetsbaar zijn? Dat zo’n kind heel anders kan zijn dan jij?’
Natuurlijk, brengt Eric in. ‘Als ik het over zelfontplooiing heb, dan bedoel ik: uitzoeken waar je goed in bent, wat je leuk vindt. Ik wil dat zo’n kind gewaardeerd wordt, dat het zijn plek in de wereld vindt. Dat is makkelijker als je slim bent. Maar het maakt niet uit: als een kind maar kan doen wat goed voelt. Dáár wil ik het bij helpen.’

Twee uur later, het is al donker buiten, ook Eric moet ventileren nu. ‘Al die vragen. Ik ben meer dan de optelsom van mijn eigenschappen. Dit lijkt een sollicitatie voor een topjob in een groot bedrijf, een zoektocht naar die éne, geweldige kandidaat – niet gewoon naar fijne pleegouders. Ik begrijp dat het om de kinderen gaat: hún belang. Dat is waarom wij voor pleegzorg, niet voor adoptie, gaan: we hopen, vanuit ons eigen verlangen, ook een kind te helpen. Wij hebben het wat te bieden, weet ik. Maar ik zou er moedeloos van worden, op de duur.’

Toch is er enkele dagen later ook goed nieuws: hun kandidatuur is door het team voorlopig goedgekeurd, ze mogen naar de vormingssessies. Daar zullen ze andere kandidaten ontmoeten, en een pleegouder die dit al jaren doet. Er waren nog wat vragen, zegt Lieven aan de telefoon: ‘Het team stelt het zo: jullie hebben beiden best een flinke voorgeschiedenis. Dat is een zorg. Maar we zien ook hoe jullie rust gevonden hebben bij elkaar. Eén iemand in het team zei: waarom gaan die mensen, na een lange weg met bijvoorbeeld ook dat draagmoederschap, tóch weer de onrust van pleegzorg aan; waarom genieten ze niet gewoon?’

Rebecca: ‘Omdat we denken dat we vanuit die rust veel aankunnen. Maar vooral: omdat we toch nog altijd een kind missen. Anders waren we hier niet aan begonnen. En doen we ineens ook iets goeds, dan is dat mooi, toch?’

Eind november 2015

Vier vormingssessies later. Eric en Rebecca zien voor het eerst in enkele weken An en Lieven weer en petit comité. Wat ze van de sessies vonden, wil Lieven weten.
Is het omdat dit gesprek weer bij hen thuis plaatsvindt, op vertrouwd terrein, maar plots durven Eric en Rebecca hun onvrede op tafel te leggen. Hun onbehagen over hoe de procedure loopt, de twijfels, hun onzekerheid.

Eric: ‘Wij geven ons bloot, we vertellen meer dan we ooit bij anderen zullen doen, we komen ons kwetsbaar aanbieden omdat we denken wel iets te geven te hebben. Maar er is bij jullie voortdurend een soort wantrouwen. We horen de hele tijd: “áls jullie ooit een pleegkind krijgen”, “áls het misschien zo ver komt”. Alsof ik tegen mijn leerlingen in de klas voortdurend zou zeggen: “áls jullie slagen op het einde van het jaar”. Wij begrijpen dat jullie voorzichtig zijn, maar op de duur dachten wij: als ze ons niet willen, dat ze het nú zeggen.’
Het ligt zonder twijfel ook aan hen, zegt Rebecca: om achter alles betekenis te zoeken. Maar Lieven knikt, hij begrijpt wat ze bedoelen. ‘Kijk, wij beginnen niet aan dit proces met het idee: we gaan veel mensen afwijzen. Maar het is onze taak om jullie voor te bereiden, om jullie te wapenen voor wat komt. Dát is wat wij doen.’

En dat blijft een broos evenwicht, weet ook Niels Heselmans. ‘Wij gaan ervan uit dat kandidaten hun sterke punten wel kennen, en dat wij vooral de valkuilen moeten tonen. Maar mensen willen ook bevestigd worden: daar moeten we attenter voor zijn.’
‘Anderzijds, we gaan daar niet flauw over doen: mensen wórden hier getest. Dat móét, het mogen geen gezellige babbels zijn. Eender wie kan vader of moeder worden; wie een pleegkind wil, wordt binnenstebuiten gekeerd – dat is hard, ja. Maar de druk die kandidaten voelen, hebben wij als Pleegzorg ook. Wat komt in de media? Situaties waarin het fout loopt. Niet die keren dat het wél goed gaat. Onze verantwoordelijkheid is immens: wij dragen zorg voor kinderen, de meest kwetsbare bovendien. Risico’s kunnen wij ons niet veroorloven.’

Lieven wil nog even terug naar de opdracht die hij hen de laatste vormingssesie gaf: een brief aan hun potentiële pleegkind. Nu de lucht een stuk lichter lijkt: kunnen ze die even voorlezen? Ze vonden het best moeilijk schrijven, zeggen ze, zonder zelfs te weten of het om een jongetje of een meisje ging. ‘We hebben het dan maar “kleintje” genoemd’, zegt Eric, en hij heft aan (Rebecca is verkouden):‘Lief kleintje, ineens kom je bij ons wonen. We zijn heel blij met jou, ook al is er een heel deel in ons dat gehoopt had dat jij ons nooit nodig zou hebben gehad. Nu is het zo, en wij willen er graag voor jou zijn. Wij zijn Eric en Rebecca, jouw pleegpapa en -mama. Wij willen voor jou zorgen zolang dat nodig is. Én, waar het kan, willen we dat samen met jouw papa en mama doen. (…) Want al lijkt het misschien niet altijd zo, ook voor hén ben jij heel bijzonder. En ook zij hadden het anders gehoopt.’

Zaterdag 19 maart 2016

Een sms’je van Rebecca: ‘Morgen gaan wij de kleine Lotte, geboren 17 januari, ophalen.’ Een grote smiley erachteraan. Vijf dagen later ligt het meisje in een hangmatje te soezen alsof ze nooit elders is geweest. En moedert en vadert het koppel alsof ze nooit wat anders hebben gedaan.

Het is snel gegaan, beseffen Rebecca en Eric, ‘al lijkt het toch een eeuwigheid als je wacht’. In januari hadden ze nog een profielgesprek met Lieven. Heel precies zochten ze toen met Pleegzorg uit welk kind bij hen zou passen: leeftijd, geslacht, huidskleur, religie, al dan niet gehandicapt. Maatwerk haast, the perfect match; moet dat wel: stilstaan bij elk aspect dat kan spelen? Absoluut, vindt Pleegzorg: obstakels genoeg nog in een pleeggezin. Hoe beter de match, hoe groter de kans op slagen. Rebecca: ‘Ik voelde me wel even schuldig, zo zeggen: geen gehandicapt kind. Maar Lieven zei meteen: je moet doen wat bij je past, daar zijn andere pleeggezinnen voor. Ik heb hem ’s avonds zelfs nog teruggebeld: we hadden eerst gewoon “een baby” gezegd, tussen 0 en 1, maar ik wou toch liefst een echt kleintje.’

En dat heeft ze gekregen: acht weken was Lotte toen ze voor het eerst met hen naar ‘huis’ reed. Soms is er maar één zo’n prille baby in een heel jaar, nu waren er twee op hetzelfde moment. Geluk gehad: veel andere ouders wachten soms maanden, zelfs een jaar. En ook dat geeft wrevel, weet Niels Heselmans. ‘Jullie zeggen dat er kandidaten tekort zijn, en wij wachten al tijden, zeggen mensen vaak. Alleen: hun profiel is zo specifiek dat matchen moeilijk is. Of ze willen wat de meeste kandidaten willen: een meisje bij voorkeur, vaak een baby, of een kleuter die uit de pampers is. Terwijl wij vooral voor jongens plaatsen zoeken, want die zien we veel meer.’

Ook voor broers en zussen wordt het almaar lastiger zoeken, zegt Heselmans, in snel veranderende tijden. Vroeger konden pleeggezinnen meerdere kinderen aan: vaders gingen werken, moeders bleven thuis. ‘Maar nu er steeds meer tweeverdieners zijn, zijn broers en zussen veel moeilijker te plaatsen. Waardoor het soms pijnlijk afwegen is voor ons: houden we hen samen, in een instelling dan; of toch een pleeggezin, maar dan gesplitst? Elk geval is anders.’

Ook Lotte is niet het eerste kindje van haar moeder dat wordt geplaatst. Dat gebeurde op bevel van de rechter. Eric herinnert zich hoe Melanie een zak kleertjes bij zich had, de eerste keer dat ze haar zagen. En hoe ze die niet goed durfde te geven. ‘Ze zei ook voortdurend dat Lotte “klein en fijn” was, als een soort mantra dat ze ergens had opgepikt. Het was duidelijk dat ze veeleer zwakbegaafd is, wij konden alleen mededogen voor haar voelen. En haar wat over onszelf vertellen, ons huis, onze tuin, de dieren hier.’

De kans is groot dat Lotte lang bij hen zal blijven, ze hopen het. Het is een beproeving geweest, de hele weg ernaartoe, maar ze geven ook grootmoedig toe: Pleegzorg heeft een goede ‘match’ voor hen gezocht. Eric: ‘Ze hebben de tijd genomen om ons écht te leren, te weten wat we wilden. Ik blijf het moeilijk hebben met het testen en de strakke procedure, maar het is goed dat ze grondig en secuur tewerkgaan. En opmerkelijk hoe snel je vergeet als dat kind er is.’

  • Lotte, Melanie, Lieven en An zijn schuilnamen.

www.pleegzorgvlaanderen.be

Griet Plets
Uit: DS Weekblad, 23.04.16

Most Recent Articles

secundaire kinderwens

Ons verhaal 3

Wat je verliest als je geen kinderen krijgt

Ons verhaal 2

Show more